In een reactie op mijn vorige weblog 'Flexibele
standaardisatie' vraagt Mark Smidt (M&I, Kompas)
zich af wat de werkelijke motieven zijn achter het opdelen van de zorg in
modules. Hij beargumenteert dat de complexiteit van de zorg en de veelheid aan
beschikbare behandelingen en technieken het programmeren en standaardiseren van
het productieproces lastig zo niet onmogelijk zouden maken.
>>
naar het vorige weblog 'Flexibele standaardisatie'Beste Mark, ik haal een naamgenoot van je aan (Mark Berg ea, 2005) als ik
beweer dat juist die complexiteit en veelheid aan beschikbare
behandelalternatieven de belangrijkste argumenten vormen voor het reorganiseren
van het primaire proces middels de introductie van zorgprogramma’s.
De huidige archetypische organisatie van ziekenhuizen en ggz instellingen
stoelt nog altijd op principes die 100 jaar geleden erg functioneel waren. Stap
voor stap werd en wordt een individueel traject gepland. Was dat 100 jaar
geleden nog erg patiëntvriendelijk en efficiënt omdat het aanbod zo beperkt was,
inmiddels leidt deze manier van zorgverlening tot fragmentatie, onveiligheid,
inefficiëntie en juist een gebrek aan maatwerk.
Natuurlijk moet onderkend worden dat iedere patiënt uniek is, maar dat laat
onverlet dat op een geaggregeerd niveau veel van die individuele variatie
verdwijnt. Het is op dit niveau dat zorgprogramma’s beschreven worden en hun
toegevoegde waarde hebben omdat in plaats van stap-voor-stap planning hele
trajecten kunnen worden ingepland.
In de toepassing van programma’s wordt de zorg weer gepersonaliseerd. Het
leveren van programmatische zorg is immers geen lopende band productie. Het
“default” programma kan worden gevolgd tenzij de behandelaar (in samenspraak met
de patiënt) meent dat andere stappen moeten worden ingebouwd.
Het is overigens nog niet zolang geleden dat behandelaren in de ggz vooral
moesten afgaan op hun ervaring en persoonlijke voorkeur (klinische blik).
Inmiddels zijn er echter voor een groot aantal psychiatrische stoornissen
therapieën beschikbaar waarvan de effectiviteit is aangetoond in gerandomiseerde
gecontroleerde behandelstudies (rct’s).
Voor veel stoornissen is deze kennis gebundeld in de vorm van
multidisciplinaire
behandelrichtlijnen. Met andere woorden: Er is inmiddels
kennis beschikbaar waarnaar van der Grift in 2004 (zie reactie op vorige blog)
blijkbaar nog tevergeefs had gezocht. Sterker nog, er is ook bewijs voor de
stelling dat behandeling in de ggz die gebaseerd is op evidence based
richtlijnen betere behandelresultaten oplevert dan “reguliere behandeling” (Adli
e.a. 2003; Trivendi ea 2004, in: Fenema 2006).
Een laatste a-politiek argument voor zorgprogrammering ligt wat mij betreft
in de noodzaak om de effectiviteit van ggz-interventies te onderzoeken. Outcome
monitoring voor interne en interinstitutionele benchmarking mag zich terecht in
een toenemende belangstelling verheugen. Het moge duidelijk zijn dat om zinvol
vergelijkend onderzoek te doen naar de effectiviteit van ggz-interventies deze
interventies goed beschreven dienen te worden. Het beschrijven van de bouwstenen
waaruit de zorg is opgebouwd komt overeen met de modulen waaruit een programma
bestaat.
En dan resteren uiteraard nog de vele “politieke” en soms ook wat
cosmetisch aandoende redenen voor zorgprogrammering zoals bijvoorbeeld
transparantie, faciliteren van vraagsturing en bevorderen van samenhang in
aanbod (Fenema ea, 2006).
Verwijzingen:
Berg, M. e.a.. Bridging the quality chasm: integrating professional and
organizational approaches to quality. International Journal of Quality in Health
Care, 2005, 75-82.
Fenema, E. van e.a. Implementatie van zorgprogramma’s: de stand van zaken
in de behandelpraktijk, MGv, 2006, 817-826.