In 2006 en het voorjaar van 2007 hebben we gesprekken
gevoerd met een groot aantal zorginstellingen – verpleeg- en verzorgingshuizen,
en thuiszorg – in Friesland, en met cliënten van enkele instellingen over
hun ervaringen met en opvattingen over domotica.
Hieruit komt een duidelijk
beeld naar voren. Personenalarmering in combinatie met een
spreek-luisterverbinding naar het verzorgend personeel, DECT-telefonie, is
inmiddels in de verzorgingshuizen standaard aanwezig en ook bij de thuiszorg een
bekende toepassing. Andere toepassingen worden slechts door enkele instellingen
of alleen in speciale gevallen gebruikt. Zo beschikken bijna alle instellingen
over simpele sensorsystemen, zoals matjes voor bewegingsdetectie, maar ze
gebruiken deze alleen in bijzondere gevallen.
Een klein aantal
instellingen maakt wel gebruik van domotica, dat wil zeggen van een integraal
systeem voor alarmering, beveiliging en omgevingsbediening. Over het algemeen
kan men positieve ervaringen melden, althans nadat de technische problemen zijn
overwonnen. In één geval bleek het systeem te ingewikkeld en duur in onderhoud
en is het verwijderd. Deze instelling overweegt wel een ander, simpeler systeem
te installeren.
Het verlenen van virtuele
zorg via een beeldverbinding is een toepassing die door meerdere organisaties
wordt overwogen, maar tot nu toe heeft slechts één organisatie er ervaring mee.
Dwaaldetectie via RFID of GPS en elektronische sloten zijn
toepassingen die bij veel van onze gesprekpartners in discussie zijn, maar men
vindt vooral dwaaldetectie te duur. Bovendien is er voldoende toezicht van het
personeel. Eén instelling heeft overigens een creatieve oplossing
bedacht die een effectieve barrière voor PG-bewoners vormt: om een deur te
openen moet op een paneel een aantal simpele sommen worden gemaakt.
Cliënten
Ook bij de cliënten is het gebruik van domotica beperkt.
Slechts een enkeling maakt gebruik van alarmering. De mensen met een ernstige
beperking hebben ervaring met hulpmiddelen, zoals een speciale bediening voor
hun rolstoel of een telefoon met grote druktoetsen en foto’s. De bewoners van
een verzorgingshuis die in een rolstoel zitten, kunnen wel de centrale
buitendeur van hun woongebouw elektronisch openen, maar niet hun eigen
kamerdeur. Dat vinden ze wel jammer. Deze vrij kleine groep blijkt ook de enige
die een grote belangstelling heeft voor diverse technische systemen zoals
omgevingsbesturing en positiebepaling, omdat die een grote bijdrage kunnen
leveren aan hun zelfredzaamheid en veiligheid. En dat brengt ons op het eerste
probleem bij domotica: de potentiele gebruikers staan niet te juichen.Zoals bekend staan veel ouderen in eerste instantie negatief
tegenover nieuwe technieken. Ze begrijpen het niet of vinden het onzin. Dit
geldt ook voor de meeste ouderen met wie wij hebben gesproken.
Comfortoepassingen zoals het
op afstand bedienen van de gordijnen worden rigoureus afgewezen, dat kan men nog
goed zelf. Bovendien word je maar lui als je alles vanuit je stoel kunt
bedienen. De veiligheidstoepassingen zoals personenalarmering worden afgewezen
omdat ze te stigmatiserend zijn: zo oud en hulpbehoevend is men nog niet. Om een
bewoner te citeren uit de onlangs uitgezonden documentaire ‘Een nieuw thuis’
over het technisch geavanceerde Leo Polakhuis: “Dat gaan ze maar lekker zelf
dragen”.
Deze houding verandert
echter wanneer men ervaring had met problemen of beperkingen, bij zichzelf of
bij partners. Als het echt nodig is zijn bepaalde technieken wel welkom. Zo
durft een mantelzorger door de personenalarmering van haar partner weer het huis
uit te gaan. Sommigen zouden vaker de deur uitgaan als er buiten een
mogelijkheid was voor alarmering en plaatsbepaling, zodat er snel hulp kan komen
als je onwel wordt.
De video-intercom, om te
zien wie er buiten aanbelt, is de minst omstreden voorziening, dat vindt
iedereen wel handig en veilig. Cameratoezicht als onderdeel van de
personenalarmering is het meest omstreden. Bij velen roept dat associaties op
met gevangenissen en ‘big brother’, maar anderen vinden het wel een veilig idee,
onder de strikte voorwaarde dat ze zelf kunnen beslissen waar en wanneer zij
bekeken worden. Een cliënt met ernstige ademhalingsproblemen ervaart
cameratoezicht als een minder grote inbreuk op zijn privacy dan een verzorgende
die in de nacht regelmatig komt kijken.
Hulprobots
Cameratoezicht gaat ook de meeste instellingen te ver
hoewel zij een positievere houding ten opzichte van technologie hebben dan de
ouderen. In alle gesprekken kwam naar voren dat de techniek nooit de mens mag
overheersen. De techniek kan alleen worden ingezet als hulpmiddel voor bewoner
of personeel of om een proces efficiënter te laten verlopen.
Elektronische leefcirkels,
elektronische sloten en telezorg of virtuele zorg worden dus als positieve
toepassingen gezien, maar de ‘hulprobots’, die onder andere in de VS worden
ontwikkeld, wijst men af. Techniek mag eigenlijk geen vervanging van het
personeel zijn, maar tegelijkertijd is het management zich er wel van bewust dat
de kosten van de techniek moeten worden gecompenseerd door besparingen op het
personeel. De financiële problematiek en het gebrek aan inzicht vooral in de
baten van de techniek vormen op dit moment een belangrijke barrière in de
adoptie van domotica.
Uit de gesprekken kwam ook
naar voren dat men weliswaar bekend is met een aantal toepassingen maar weinig
kennis heeft van de onderliggende technieken. Men is daarom terughoudend in het
doen van grote investeringen, de techniek van nu kan morgen immers verouderd
zijn of aanzienlijk goedkoper. Deze onzekerheid is niet ten onrechte, gezien het
aanbod van zowel verbeterde elektrotechnische domotica en de op ictgebaseerde
systemen.
Leveranciersgebonden
De traditionele toepassingen van domotica zijn beveiliging
en ‘meten-en-regelen’. Deze meet- en besturingssystemen hadden een busstructuur
als basis, waarover tamelijk simpele signalen (besturingscommando’s) worden
uitgewisseld. Lange tijd waren de systemen en protocollen vaak
leveranciersgebonden. Dit is aan het veranderen door de opkomst van
besturingssystemen die zijn gebaseerd op universele ict-protocollen zoals
TCP/IPen Zigbee.
De leveranciers van
e-domotica trachten nu een aantal voordelen van de i-domotica in hun systemen
onder te brengen. Zo zien ze steeds meer af van de leverancierspecifieke
systemen en zijn er wereldwijde afspraken gemaakt over de te hanteren
protocollen, bijvoorbeeld door de Konnex (KNX) associatie. Door middel van
conversiemodulen kunnen verschillende systemen aan elkaar worden gekoppeld en
kunnen KNX systemen ook met ict-protocollen overweg.
Tegelijkertijd zijn de
i-systemen voor de toepassing in domotica nog niet ver genoeg uitontwikkeld. Er
zijn nog geen standaardsystemen op de markt. Alles is maatwerk en de software
wordt voor specifieke situaties geschreven. Er moet nog veel uitgevonden worden
en leerprocessen moeten nog plaatsvinden. Ook moet een deel van de regelgeving
en de certificering nog worden aangepast aan de nieuwe technieken. Hoewel het
onderwerp veel aandacht krijgt gaat de certificering van personenalarmering nog
altijd uit van een analoge en dedicated telefoonlijn (een op een verbinding
tussen abonnee en alarmcentrale).
Zowel de e-domotica als de
i-domotica hebben een aantal nadelen. De e-domotica moet via een installateur
worden aangelegd en ook de aanpassingen moeten gebeuren door een vakman. Mede
daardoor is e-domotica altijd redelijk prijzig gebleven. Ook de i-domotica is
nog prijzig. De bekende voorbeelden, zoals het Leo Polakhuis in Amsterdam en
Diafaan in de Achterhoek,
zijn met flinke subsidies van de grond gekomen. Zowel de e- als de i-systemen
hebben nog geen toegang tot de massamarkt.
Misschien wordt de doorbraak
wel bereikt door de diverse producten die gebruik maken van het
elektriciteitsnetwerk en nu veelvuldig worden aangeboden tegen zeer schappelijke
prijzen. De gebruiker kan ze zelf installeren en programmeren. Voor bepaalde
toepassingen in de zorg zijn ze niet veilig genoeg maar voor omgevingsbesturing
zijn ze wel bruikbaar. Dit geldt ook voor de draadloze bedieningssystemen die nu
bij elke bouwmarkt te koop zijn. Ze dringen langzaam aan de woning van de
doorsnee Nederlander in en creëren misschien een klimaat waarin de meerwaarde
van domotica duidelijk wordt. Als we dan ook nog
zicht krijgen op de financiële baten van domotica in de zorg kan eindelijk
duidelijk worden of domotica ooit meer wordt dan een belofte.
Auteursinformatie: Thea
Weijers en Meike van den Haak waren gedurende het onderzoek beiden werkzaam bij
de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden, respectievelijk als lector en als junior
onderzoeker. Van den Haak is thans student communicatiewetenschappen aan de RUG
en Weijers onderzoeker aan de TU Delft.