Op de hoogte blijven? Meld u dan aan voor de gratis wekelijkse nieuwsbrief van ICTzorg
De ggz loopt achter op EPD-gebied. Brancheorganisatie GGZ Nederland helpt de sector door het opstellen van een referentiemodel.
Het vlot niet erg met de ontwikkeling van het elektronisch patiënten dossier (EPD) in de ggz. Zo heeft geen enkele instelling een derde of vierde generatie EPD dat voor de volle 100 procent draait. “Er zijn koplopers, maar ook instellingen die ver achterblijven,” zegt Jaap Schrieke, beleidsmedewerker informatiebeleid bij GGZ Nederland. “Voor een deel ligt dat aan de instellingen zelf. Zij zijn veel tijd kwijt met steeds weer het wiel opnieuw uitvinden, terwijl ze al zwaar onder druk staan gezien de groeiende vraag naar hulpverlening en de steeds luider wordende roep om kwaliteit, transparantie en kostenbesparing. Aan de andere kant lopen instellingen tegen technologische grenzen aan, omdat de vernieuwingsdrang van ict-leveranciers te wensen over laat. Ggz-instellingen willen bijvoorbeeld met zorgpaden werken, maar dit wordt niet ondersteund door de software van de leveranciers.”
Dit alles zorgt voor vertraging in de ontwikkeling van het elektronisch patiëntendossier. Reden voor GGZ Nederland om de regie in eigen hand te nemen en instellingen te helpen om de opgelopen achterstand in te halen. Begin dit jaar werd een opdracht opgesteld om een referentiemodel te ontwikkelen die ggz-instellingen moet helpen én moet faciliteren bij het ontwikkelen van hun EPD. Daarnaast moet het referentiemodel een kwaliteitsnorm zijn waarmee zowel de leveranciers van EPD-pakketten als de gebruikers van het EPD, de ggz-instellingen, kunnen worden gecertificeerd. “Het gebruik van een EPD wordt op die manier gepositioneerd als niet-vrijblijvende voorwaarde voor kwalitatief hoogwaardige zorg,” zegt Schrieke. “Bovendien kun je met een gezamenlijk referentiemodel vraagmacht creëren richting leveranciers, zodat je goede EPD-systemen kunt laten maken tegen een gunstige prijs-kwaliteit verhouding.”
Verschillende invalshoeken
Capgemini haalde de opdracht van GGZ Nederland binnen en ontwikkelde een referentiemodel dat uit twee hoofdonderdelen bestaat: het procesmodel en het EPD-profiel. Het procesmodel beschrijft alle stappen in het zorgproces, vanaf de aanmelding van de cliënt tot het moment dat de zorgverlening kan worden beëindigd. “Daarbij hebben we zorgvuldig gekeken naar het EPD-‘kookboek’ van GGZ Nederland, de referentiemodellen van andere brancheorganisaties zoals Actiz, richtlijnen uit de sector zelf, het HKZ GGZ schema en de procesbeschrijvingen die lidinstellingen zelf al hadden gemaakt,” zegt projectleider Robert Stegwee, principal consultant Zorg en ICT bij Capgemini. “Dat hebben we samengevoegd en vervolgens vanuit verschillende invalshoeken bekeken, zowel vanuit de behandelaar en de begeleider, als vanuit de patiënt en de ketenzorg. Daaruit is een procesmodel gerold dat geschikt is voor kort- en langdurende zorg en mogelijkheden biedt tot integratie van allerlei e-health initiatieven.”
Nictiz
Op basis van het procesmodel is vervolgens het EPD-profiel opgesteld. Dit is een pakket eisen waar het EDP voor de ggz aan moet voldoen. Stegwee: “Die eisen zijn gebaseerd op het Behavioral Health Profile, dat de internationale standaardisatieorganisatie HL7 voor de Amerikaanse ggz heeft ontwikkeld. Dat hebben we vertaald naar de Nederlandse situatie met behulp van het procesmodel, de programma’s en eisen van ggz-instellingen die al voorop lopen met het EPD en de eisen die Nictiz stelt aan een goed beheerd zorgsysteem.”
Bij de ontwikkeling van het referentiemodel is het veld nauw betrokken. “We hebben via workshops, werkgroepen en een 24-uur conferentie zorgvuldig de vraag vanuit ggz-land in kaart gebracht en geanalyseerd,” zegt Stegwee. “Niet alleen via ict-medewerkers en bestuurders van instellingen, maar vooral ook via de zorgverleners zelf. Zij zijn het die uiteindelijk met het EPD moeten werken.” In totaal hebben zo’n 70 professionals uit dertig tot veertig instelling bij de ontwikkeling van dit referentiemodel geparticipeerd.
“Zo’n referentiemodel valt of staat met een aantal succesfactoren,” vult Schrieke aan. “Je moet recht doen aan de diversiteit van de ggz. Deze sector is heel breed, je hebt met zoveel verschillende specialisaties te maken. Iedereen moet zichzelf in zo’n model terug kunnen vinden. Het model moet bovendien handzaam zijn en aansluiten bij de praktijk, voorwaarde om draagvlak en betrokkenheid van het veld te creëren. Ik denk dat we daar goed in zijn geslaagd. Door het procesmodel als basis te nemen voor het EPD, laten we zien dat het EPD er primair is voor de ondersteuning van de zorgverlener. We hebben in dit model het zorgproces als uitgangspunt genomen voor het EPD; de administratie en financiën zijn als afgeleiden hiervan.”
Beslissingsondersteuning
Het resultaat is een referentiemodel dat volgens Schrieke als compleet en innovatief is beoordeeld. “Er staat helder in beschreven welke functies in ieder geval door een EPD in de ggz moeten worden ondersteund. Niet alleen procesondersteuning rondom de vraag van de cliënt, maar ook communicatieondersteuning met cliënten en ketenpartners, beslissingsondersteuning op basis van gestructureerde dossiergegevens en kwaliteitsborging. Allemaal functies die in de huidige EPD niet of onvoldoende worden ondersteund, maar wel noodzakelijk zijn om de ontwikkelingen rondom kwaliteit, transparantie en kostenbeheersing te kunnen realiseren.” Het referentiemodel is bovendien eenvoudig toe te spitsen op de eigen situatie en behoeften van instellingen. Schrieke: “Als je geen ambulante zorg verleent, kun je eenvoudig de procesmodellen voor ambulante zorg eruit vinken. Het referentiemodel is de ruggengraat van het EPD voor de ggz. Van daaruit kunnen instellingen zelf allerlei nieuwe ict-oplossingen ontwikkelen, zoals internettherapie, zelfzorg of geïntegreerde ketenzorg.”
Onontbeerlijk
Uiteraard blijft de realisatie van een goed werkend en kwalitatief hoogwaardig EPD de eigen verantwoordelijkheid van de individuele instellingen. Hiervoor is een goed aanbod van software ter ondersteuning van het EPD onontbeerlijk. Mede omdat het referentiemodel is gebaseerd op een internationale standaard, wordt de markt beter toegankelijk voor nieuwe leveranciers. Om de kosten te drukken is GGZ Nederland van plan om een coördinerende rol te spelen bij het samenbrengen van instellingen zodat het EPD gezamenlijk kan worden aanbesteed. Er zijn volgens Schrieke een aantal scenario’s denkbaar. “Je kunt je als groep instellingen committeren aan een geselecteerd EPD dat binnen een bepaalde periode moet worden geïmplementeerd. Je creëert daarmee een helder marktvolume voor geïnteresseerde leveranciers. Of je doet als instellingen een Europese aanbesteding op basis van het referentiemodel. Zo’n aanbesteding kan leiden tot een raamcontract met twee of drie leveranciers van EPD-systemen die aan de eisen van het REPD voldoen. Instellingen hebben veel behoefte aan zulke inkoopcombinaties: het scheelt niet alleen geld, maar ook veel tijd en energie.”
Het referentiemodel wordt dan ook breed gedragen onder de lidinstellingen van GGZ Nederland. Dit in tegenstelling tot vier jaar geleden, toen de brancheorganisatie al probeerde om een referentiemodel op te stellen voor het EPD in de ggz. “Dat lukte toen niet omdat instellingen destijds nog niet bereid waren om de regie uit handen te geven,” zegt Schrieke. “Iedereen wilde het wiel ook graag zelf uitvinden. Nu de sector verder onder druk is komen te staan en het ontwikkelen van het EPD verschrikkelijk veel tijd en geld kost, is die bereidheid er wel.”
De ggz-instellingen hebben procesmodellen, het EPD-profiel en de eindrapportage van het hele traject inmiddels binnen gekregen. Tijdens masterclasses die GGZ Nederland zal organiseren, kunnen zij zich verder informeren. Want, zo benadrukken Jaap Schrieke en Robert Stegwee, de ontwikkeling van het referentiemodel is slechts het begin van een belangrijk meerjaren traject. “De markt voor EPD-systemen zal in beweging worden gebracht,” verwacht Stegwee. “En ggz-instellingen zullen gaan profiteren van de innovaties die door de leveranciers van EPD-pakketten worden aangeboden. Het referentiemodel is daarom een levend model, dat in de loop der jaren zal worden gevoed met nieuwe inzichten en technische mogelijkheden.” Schrieke besluit: “Op die manier blijft het referentiemodel de ruggengraat van het EPD, een houvast waarmee instellingen en leveranciers gezamenlijk vorm kunnen geven aan kwaliteitsverbetering, transparantie en kostenbeheersing binnen de ggz.”
Auteur: Matthijs Buikema is freelance journalist