Toen Michiel Sprenger begin 1986 in dienst trad bij wat toen nog het Academisch Ziekenhuis Vrije Universiteit (AZVU) heette, wist hij nauwelijks iets van de zorg. Binnen een jaar was hij er echter aan verslingerd. “Het is een interessante, complexe bedrijfstak met hoog opgeleide professionals.”
Inmiddels is hij ruim twintig jaar in dienst bij wat inmiddels het VU medisch centrum (VUmc) heet. “Telkens als ik overwoog om ergens anders te gaan werken, deed zich weer een kans voor om iets nieuws te gaan doen en werd ik verleid om toch te blijven.”
Kort na het interview blijkt echter dat Sprenger ditmaal de verleiding niet heeft kunnen weerstaan om het eens elders te proberen. Per mail laat hij weten dat hij vanaf 1 maart 2008 senior adviseur ict & innovatie wordt bij het Nationaal ICT Instituut in de Zorg (Nictiz). Hij zal zich daar met name bezighouden met het in te richten kenniscentrum. Maar hij blijft de zorg trouw.
Hoe bent u in de zorg terecht gekomen?
“Van huis uit ben ik fysicus. Ik ben gepromoveerd op een onderwerp dat te maken heeft met magnetische resonantie. Hoewel ik onderzoek leuk vond, ben ik daarna op zoek gegaan naar een werkplek waar de weg van droom naar werkelijkheid wat korter is. Op de universiteit speelde mijn werkterrein zich wel heel erg af op de vierkante millimeter. Bij mijn zoektocht naar een andere baan stond de zorgsector op mijn lijstje. Idealisme speelde daarbij ook een rol. Ik wilde iets gaan doen met een wat directer maatschappelijk belang. In 1986 ben ik klinisch fysicus geworden bij het AZVU. In het AZVU hadden ze toen net de tweede MR-scanner in Nederland in gebruik genomen.”
En het beviel klaarblijkelijk?
“Ik vind het leuk om de techniek zo goed mogelijk ter beschikking te stellen van de medici. Dat vereist meer dan technische kennis. Je moet veel overleggen en dat betekent dat je ook over communicatieve vaardigheden moet beschikken. Ik ben ervan overtuigd dat je ict in de zorg alleen maar succesvol kunt inzetten als drie partijen – in willekeurige volgorde: de managers, de zorgprofessionals en de it’ers – gezamenlijk optrekken.”
En ’t blijft na al die jaren nog steeds interessant?
“De zorgsector is op ict-gebied erg in beweging. De druk vanuit de samenleving op de zorg neemt toe om minder in hokjes te denken. De politiek en de patiënten accepteren niet langer dat steeds opnieuw weer informatie moet worden verzameld en dat allerlei onderzoeken telkens weer herhaald moeten worden.”
Dus moet er een elektronisch patiëntendossier (EPD) komen.
“De minister van VWS heeft gezegd dat in 2009 het EPD moet zijn ingevoerd. Vooralsnog gaat het daarbij om het elektronisch medicatiedossier (EMD) en het waarneemdossier huisartsen (WDH). Dat zou een mooie start zijn. Als de eerste twee wagonnetjes op de rails staan, dan wordt het makkelijker om de volgende wagonnetjes aan te haken. Al zul je bij elke nieuwe toevoeging te maken krijgen met nieuwe vraagstukken.”
Is het VUmc ook bezig met de invoering van een EPD binnen het ziekenhuis?
“Wij kiezen er vooralsnog voor om dit vanuit de architectuur te benaderen. Wat wil je dan precies vastleggen en hoe wil je dat vastleggen.”
Kun je dat niet beter met alle ziekenhuizen gezamenlijk doen?
“Dat zou inderdaad ontzettend handig zijn. Daarom heb ik samen met René van den Assem van Verdonck, Klooster & Associates een voorstel neergelegd bij de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU) voor de ontwikkeling van een referentiearchitectuur. Binnen de NFU liep er namelijk een discussie om weer meer samen te gaan doen op ict-gebied. Er werd zelfs over gesproken om samen een EPD te bouwen. Ik heb toen gezegd dat me dat iets te snel ging. Ik vind dat we eerst moeten nadenken over de architectuur voordat we software gaan bouwen. In september hebben we hierover een rapport geschreven dat nu bij het bestuur van de NFU ligt.”
Intussen heeft de NVZ vereniging van ziekenhuizen al een voorstel voor een dergelijke referentiearchitectuur ingediend bij de stuurgroep ict & innovatie.
“Het idee is inderdaad opgepikt bij de NVZ waar ze er enthousiast mee aan de slag zijn gegaan. Ik hoop dat de NFU nu ook op de kar springt.”
Het opstellen van een referentiearchitectuur klinkt erg abstract en theoretisch?
“Je moet een referentiearchitectuur niet zien als een alles omvattend gedetailleerd model dat van bovenaf wordt opgelegd. Het is meer een soort convergentiepunt voor best practices vanuit de ziekenhuizen. Ons voorstel is dat er een klein, slagvaardig clubje mensen wordt vrijgemaakt om kennis vanuit de ziekenhuizen te verzamelen en zo te bewerken dat het door alle ziekenhuizen gebruikt kan worden. In mijn voorstel voor de NFU heb ik drie thema’s genoemd waarmee je zou kunnen beginnen: eenheid van taal, de samenwerking in zorgprocessen en informatiebeveiliging.”
En voor welke speerpunten kiest de NVZ?
“De NVZ legt de nadruk op de basisregistratie omdat die niet alleen essentieel is voor de patiëntenzorg maar ook voor de bekostiging en de informatiebehoefte van bijvoorbeeld de Inspectie voor de Gezondheidszorg.”
Kun je als ziekenhuis wel wachten tot zo’n referentiearchitectuur klaar is?
“Je kunt een nieuw stedenbouwkundig plan opstellen en tegelijkertijd een omgevallen schuurtje weer opbouwen. Maar het klopt, het gaat wel om een diepte-investering. Doel is om als ziekenhuizen een aantal basiskeuzes te maken die ertoe moeten leiden dat je in te toekomst minder te maken hebt met legacyproblemen en vendor lock-in.”
Zoals het ziekenhuisinformatiesysteem BAZIS ofwel iSoft v2 bij de academische ziekenhuizen?
“Daar hebben we heel veel last van. In een universitair medisch centrum heb je al snel te maken met wel zo’n tweehonderd applicaties die allemaal op hun eigen manier vastgebreid zitten aan de software van iSoft. Het gevolg is dat je niet zomaar stukken iSoft eruit kunt snijden want dan dondert alles om.”
Hoe moet je het dan wel aanpakken?
“Er is één ding moeilijker dan software implementeren en dat is software afvoeren. Het academisch ziekenhuis in Maastricht heeft ervoor gekozen om het allemaal in een keer te verwijderen en SAP erin te rijden. Ik zou ’t niet durven. De software van iSoft is dermate bedrijfskritisch, mijn carrière zou er niet tegen bestand zijn als het hele ziekenhuis plat zou gaan. Volgens mij kun je het alleen stap voor stap isoleren, inpakken en afbouwen. En vervolgens nooit meer zo’n allesomvattend gesloten systeem implementeren.”
Daar zijn nu toch verschillende ziekenhuizen hard mee bezig.
“Naar mijn mening zijn sommige ziekenhuizen zich op dit moment aan het abonneren op een legacy-probleem in 2018. Het gaat vaak weer om volstrekt gesloten systemen die intern niet op open standaarden zijn gebaseerd.”
Dat zou dus ook onderdeel van een referentiearchitectuur moeten zijn: alleen werken met software die is gebaseerd op open standaarden?
”Daar ben ik stellig van overtuigd. Dat maakt de structuur helder en gecompartimenteerd. Bovendien, hoe groot je ook bent, je hebt altijd een buitenkant waar je met anderen moet communiceren en ook dat is zonder open standaarden erg lastig.”
In hoeverre werken de huidige zorginformatiesystemen en EPD’s met open standaarden?
“De meeste niet, als je naar de specificaties kijkt. Epic niet, Chipsoft niet. Bij Soarian van Siemens stukken wel en stukken niet. Lorenzo, de nieuwste suite van iSoft, zag er veelbelovend uit maar de vraag is of dat er nog ooit komt. Uitgangspunt bij Lorenzo was een platform waar je modules in kunt prikken. Dat zouden dan modules van iSoft kunnen zijn maar ook andere modules.”
Na ruim twintig jaar heeft u besloten om het VUmc te verlaten en over te stappen naar Nictiz. Vanwaar deze keuze?
“Nu Nictiz echt bestaansrecht heeft verworven, en sterk inzet op de instellingsoverstijgende informatievoorziening, lijkt me dat de beste plek om het ideaal ‘betere zorg door betere informatie’ te helpen realiseren. Ik denk dat ik daar effectiever kan zijn dan vanuit één instelling.” (ICTzorg - Mario Gibbels)
Wie is Michiel Sprenger?
Michiel Sprenger (55 jaar) heeft experimentele natuurkunde gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam. In 1985 is hij gepromoveerd op een studie naar roosterfouten in silicium met magnetische resonantie. Begin 1986 kwam hij dienst van het Academisch Ziekenhuis Vrije Universiteit in Amsterdam als klinisch fysicus mangnetische resonantie en digitale beeldtechnieken. In 1991 werd hij hoofd van die dienst en toen in 1994 binnen het AZVU de afdeling klinische fysica en medische techniek werd opgericht, werd hij daarvan afdelingshoofd. In 2003 werd na een reorganisatie de afdeling IPO opgericht, wat staat voor informatica en procesondersteuning, waar hij hoofd van werd. In 2006 werd hij hoofd informatica en architectuur en in maart dit jaar zal hij de overstap maken naar Nictiz waar hij senior adviseur ict & innovatie wordt.
Dit artikel verscheen eerder in ICTzorg magazine, jrg 9, nr. 1, januari/februari 2008